Ria van de harmonie

Ik ben godzijdank heel normaal.
Tenminste, volgens Ria.

Bepakt en bezakt met blokfluiten duwde ik die eerste dag, morgen precies vijf jaar geleden, met mijn voet de klapdeur open. Ik stapte de met donkere eikenhouten meubels ingerichte gemeenschappelijke ruimte binnen. Het rook er naar borrelnootjes. De ruimte was gevuld met ronde tafels, bedekt met vergeelde kanten kleedjes. Op de bar stonden ouderwetse pils glazen, je weet wel, van die glaasjes met een brede bovenrand, die je zo lekker kunt stapelen.

Het deed me denken aan het huis van mijn opa en oma. Daar stonden net zulke meubels. Donker en zwaar. Gemaakt voor de eeuwigheid. Wanneer één van hen jarig was, werden grote flessen Amstel geopend en kwamen precies zulke pils glaasjes op tafel. Ik dacht terug aan al die verjaardagen bij hen in de tuin. Onder de parasol. Met zijn allen in een kringetje. De mannen aan de Amstel en de vrouwen aan de Sherry. Ik weet nog dat er gewichtjes aan het tafelkleed van de tuintafels hingen, in de vorm van druiventrossen. In de keuken bakte mijn oma worst, die ze in stukjes serveerde met plakjes augurk. Ook kwamen er altijd gevulde eitjes op tafel. Mijn oom bracht koude schotel mee. En op tafel stonden, in die zelfde bier glaasjes, zoute sticks. Behalve daar bij mijn opa en oma en in ‘Café-zaal Hendriks’ in het dorp waar zij woonden, had ik nergens ooit meer zulke glaasjes gezien.

Hier, in de gemeenschappelijke ruimte van deze harmonie in een dorp net boven de rivier, trof ik Ria, zittend aan een tafel, zuchtend, met haar in gips gewikkelde been op een stoel tegenover haar en de krukken in haar hand. Ik schatte haar een jaar of vijftig. Ze was gekleed in een grijze katoenen pantalon. Zo eentje die breed is aan de bovenkant en bij de enkels uitloopt in smalle punten. Daarboven een wijd katoenen shirt, bedrukt met een vreemd patroon in te veel kleuren. Haar haren kortgeknipt en vers geverfd in een kleur rood die neigde naar paars en me deed denken aan de fuchsia’s in mijn oma’s tuin.

Ik wilde me net gaan voorstellen als de nieuwe blokfluit juf. Tien weken lang kwam ik Algemene Muzikale Vorming geven aan de kindjes uit de buurt, om ze voor te bereiden op een cursus op één van de blaasinstrumenten van de harmonie.

Precies op het moment dat ik mijn mond opende, zuchtte ze opgelucht en zei:

“Oh, ik dacht toch, ja. Door je naam he. Ik dacht, dat is er zo eentje zoals, nouja, niet dat ik daar iets tegen heb, van die hoofddoeken en zo, maar goed, dat kennen we hier niet echt he. De ouders maakten zich toch een beetje zorgen. Maar gelukkig. Je bent gewoon heel normaal.

”Het tl licht brandde ineens een beetje feller. Ik knipperde met mijn ogen, opende mijn mond, en wachtte tot er een geschikt antwoord uit zo komen. Na een minuut sloot ik hem weer. Er kwam geen geschikt antwoord. Ik besefte daar, voor het eerst, dat mijn naam onrust kon veroorzaken bij mensen. Misschien zelfs wel een vergadering. Hoe zou het zijn gegaan? “Wat als het een moslim is?” “Tsja, spelen die blokfluit?” “We hebben niemand anders” “Nou, toch maar even aankijken dan”.

Niet eerder had ik zelf bewust te maken gehad met vooroordelen op basis van afkomst. Ik voelde me naïef. En een beetje verward. Nogmaals dacht ik terug aan mijn opa en oma. Al die keren dat ik meeging naar de boerderij waar mijn oma werkte. Schaatsen op het slootje naast de koeien. Spelen in mijn blauwe overall, op het land. Mijn opa, schoffelend, op klompen. Ik op mijn klompjes en met mijn mini schoffeltje ernaast. Had het er raar uitgezien, zo’n halfbloed kindje in de Liemers? Voelde ik me Nederlandser dan dat anderen mij zagen? Zou mijn sollicitatiebrief eigenlijk wel eens op de nee-stapel zijn beland door mijn naam? Had ik andere vrienden gehad als mijn Turks-Koerdische vader wél deel van mijn leven en opvoeding had uitgemaakt? Hadden mensen eigenlijk iets anders bedoeld, al die keren dat ze vroegen waar ik vandaan kwam en ik “Nijmegen” had geantwoord? Ik had er nooit over nagedacht. Duizend vragen schoten als vuurwerk door mijn hoofd.

Ik perste mijn mondhoeken naar boven en wierp Ria mijn eerste geforceerde glimlach ooit toe.

Ik had te doen met deze vrouw. Ze zal zich vast ontzettend machteloos hebben gevoeld met dat gipsbeen. Je kunt je tenslotte maar moeilijk verdedigen. Daar zit je dan, als hoeder van de plaatselijke harmonie en diens traditie. Ik vond het moedig dat ze in al haar kwetsbaarheid toch op was komen draven. Zeker wanneer je denkt dat er een Turk binnenkomt.

Want ja. Het zal je maar gebeuren.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

%d bloggers liken dit: